Skip to content

De crisis die men niet zag aankomen (1/5)

13 september 2013

(dit artikel werd eerder gepubliceerd op apache.be als deel 1 van de vierdelige reeks over “de crisis”). 

Vijf jaar na het uitbreken van de crisis mag er wel een balans opgemaakt worden van de gebeurtenissen. Voor 2008 sprak niemand het woord ‘crisis’ uit. Niemand had het voorspeld, behalve dan een handvol marxistische economen. In de common sense van economen en modale burgers bestond de crisis niet meer. Het kapitalisme was erin geslaagd het fenomeen ‘crisis’ voor eens en voor altijd onder controle te houden. De kennismaatschappij ging zegevieren en de economische groei zou duurzaam zijn. Vijf jaar later zitten we nog steeds vast in de diepste crisis sinds 1929 en dan nog één waarvan weinigen het einde durven voorspellen.

De oorzaken

Volgens economen zijn de oorzaken van de crisis vanzelfsprekend: te veel kredieten en kwistige staten. Bijgevolg moet de kraan dicht. Anderen situeren de oorzaken van de financiële crisis eerder in de hebzucht en bijgevolg moet het kapitalisme een flinke morele wasbeurt krijgen. Beide diagnosen gaan voorbij aan de dieperliggende oorzaken.

Overdadig krediet was er zeker, en met reden. In de Verenigde Staten stond de spaarquote gedurende meer dan vijftien jaar negatief. Makes you wonder… De Noord-Amerikaanse middenklasse gaf meer uit dan ze verdiende. Uitgezonderd de armste onderklasse kreeg zowat iedereen en lening. Een auto kopen, studeren, wonen of reizen, alles gebeurde steeds meer dankzij geleend geld. Amerikanen gaven net voor de crisis gemiddeld 127% van hun beschikbaar inkomen uit. Maar er was geen vuiltje aan de lucht, lage rentevoeten maakten kapitaal goedkoop en iedereen verwachtte zich aan een inkomensstijging dankzij de klim op de promotieladder of de waardestijging van hun huis.

De drang om steeds meer te produceren zonder dat de reëele lonen evenredig stegen, was dé tegenstelling van het neoliberalisme

Men vergeet echter de ‘overkreditisering’ in verband te brengen met de stagnerende lonen van de ‘middenklasse’. Krediet was nodig om de macro-economische koppeling te maken tussen productie en consumptie. De drang om steeds meer te produceren zonder dat de reëele lonen evenredig stegen was dé tegenstelling van het neoliberalisme die op één of andere wijze overbrugd worden.

De ‘overkreditisering’ van de consumptiesfeer was niets anders dan een rolstoel voor het zieke Ford-kapitalisme van de naoorlogse periode. Anders gezegd: de financiële crisis van 2008 weerspiegelt de uitputting van het neoliberaal accumulatie-regime.

Film terugspoelen

Het is makkelijker dit te begrijpen wanneer we een samenvatting geven van het voorgaande seizoen van ‘The Crisis’.

  • Begin jaren zeventig. De VS wilden hun tanende export boosten dankzij een goedkopere dollar. De loskoppeling van de dollar en de goudkoers was de makkelijkste oplossing. Maar dit veroorzaakte dan weer een ‘olieschok’ en triggerde in westerse economieën staglatie (inflatie+ stagnatie).
  • De recessie van de jaren tachtig verschroeide de oude industrie. De gestandaardiseerde consumptiegoederen verkochten niet meer en de winstvoet stuikte in elkaar. Ook omdat de afzetmarkten verzadigd waren.
  • Monetarisme overheerste. De VS zette de toon en maakte kapitaal hoogst ontoegankelijk met het verhogen van rentevoeten tot 20% (ten opzichte van een inflatie van 13%). Dit alles deed de dorre takken van de bomen vallen.
  • De reaganomics hadden hun effect, tenminste vanuit het oogpunt van de trusts en het ‘grootkapitaal’. De Hollywood acteur behaalde een politieke overwinning op vakbeweging. Reële lonen werden gedrukt terwijl interne deregulering en liberalisering buitenlandse afzetmarkten opende voor de Amerikaanse trusts. Margaret Thatcher deed hetzelfde.
  • Eind jaren tachtig keerden de winsten terug dankzij dalende productiekosten, schaalvergroting met allerhande fusies (grote vissen eten de kleintjes op) en het inzetten van nieuwe technologieën.
  • In de jaren negentig zette de high-tech-revolutie zich uiteindelijk door tot de consumptie-sfeer.

Het kapitalisme onderging in de periode 1975-1990 een transformatie die we vandaag onder het label van ‘neoliberalisme’ samenvatten.

Van monopoly naar casino-spel

Het nieuwe tijdperk was aangebroken. De hoogdagen van het casinokapitalisme konden beginnen. De beurs, of beter het mondiaal netwerk van beurzen, kon de rol vervullen van collectieve kapitalist. Kopen en verkopen, steeds meer en steeds sneller. In 1975 bedroeg het volume van activa op Wall Street 19 miljoen dollar; in 1985 was dit gestegen tot 110 miljoen dollar en in 2006 – net voor het uitbreken van de grote crisis – 1.600 miljoen dollar en dit voor een waarde van 60 miljard dollar.

Datzelfde jaar bedroeg de waarde van één maand transacties op de valutamarkt het equivalent van het wereld-BBP. Het beursspel was nochtans braaf begonnen met overnames of kruisparticipaties maar al snel betrof het merendeel van de transacties het speculeren op aandelen en valuta’s. In 1999 ontspoorde de speculatiegolf even met de dotcom-crisis. Het faillissement van AOL-Time en andere ICT-giganten toonde aan dat technologie geen afdoende garantie biedt om het cyclisch karakter van de kapitaalsaccumulatie te doorbreken. Zij het dat de crisis van 1999 beperkt bleef tot het beursgebeuren. De reële economie draaide verder, weliswaar aan een gestaag ritme maar de winsten waren er nog steeds. Daarom dachten velen dat het beursgebeuren disfunctioneerde in plaats van gewoon in te zien dat ze an sich disfunctioneel was geworden

Riskmanagement

Alan Greenspan, toenmalig voorman van de Federal reserve bank van de US en Master of ceremony van het casinokapitalisme was de uitvinder van een vernuftig systeem van riskmanagement waarbij risico’s gemutualiseerd konden worden. De hypotheekleningen werden versneden en herverpakt zodat het segment met een hoog gehalte aan wanbetalers vermengd kon worden met risico-arme segmenten. No risk, no fear.

Het feest kon nu echt beginnen, mede dankzij de illusie dat het eindeloos zou doorgaan

Het feest kon nu echt beginnen, mede dankzij de illusie dat het eindeloos zou doorgaan. Het verzekeren van de hypotheekleningen was bovendien voorwerp van nieuwe speculatie geworden, met de beruchte securities en Credit Default Swaps. Men kon voortaan beleggen op waardepapieren die andere waardepapieren verzekerden.

De nieuwe ‘beleggingsproducten’ zorgden voor nieuwe opportuniteiten. In 2006 was het gewicht van ‘derivaten’ (of afgeleide beleggingsproducten) uitgegroeid tot 26 triljoen dollar ofte 26.000 miljard dollar) terwijl het totale volume van beurstransacties een 600.000 miljard dollar bedroeg. Winsten werden steeds minder geïnvesteerd en steeds meer ingezet op de beurs.

Merkwaardig genoeg maakten multinationals zoals GM miljarden winst via beleggingen terwijl de autoverkoop verlieslatend was. Dit illustreert het feit dat de reële economie (met waardevermeerding via het inzetten van menselijke arbeid en het afromen van het surplus) plaats had geruimd voor een financiën-economie waarbij men de illusie koestert dat geld rijkdom kan produceren. Met zeepbellen als resultaat.

The party must go on!

Uiteindelijk liep het feest uit de hand, een beetje zoals tijdens de finale scene van The Party (1968), een burleske film van Blake Edwards met Peter Sellers. Met oplichters zoals Bernard Madoff, die een piramidespel in elkaar stak ter waarde van 65 miljard dollar, was het hek helemaal van de dam. Net zoals Charles Ponzi in 1920 deed op Wall Street, gebruikte Madoff ‘beleggingen’ om voorgaande ‘beleggers’ uit te betalen. Niet helemaal onterecht spraken sommigen in 2008 over een Ponzi-kapitalisme.

De slachtoffers waren niet gokzieke individuen. Ook Banken en hefboomfondsen beloofden spaarders en beleggers een return van 12% à 15%, een norm die de gemiddelde wereldgroei van 3% à 4% ver voorbij stak. Niet toevallig werden de beleggingen met de grootste return gedaan op het moment dat het hoogtepunt voorbij was. Met alle gevolgen van dien. Intussen was het aantal wanbetalers onder Amerikaanse hypotheekleningen verontrustend aan het stijgen. De prijzen stagneerden en daarna stuikte de prijswaarde van de net gebouwde huizen in elkaar. De banken konden wanbetalers uit hun huis zetten maar hielden er een onverkoopbaar pand aan over. In 2007 deinde het fenomeen zich uit over de gehele Verenigde Staten en tijdens de zomer van 2008 ontplofte de zeepbel.

Het faillissement van hypotheekbanken Fannie Mae en Freddie Mac had een domino-effect: Bear Sterns, Lehmann Brothers en AIG kapseisden de ene na de andere. Meer dan 5.000 miljard dollar ging in rook op. De activa van banken ontwaardden en veroorzaakten een massale liquiditeitscrisis. Interbancaire leningen stokten en het hele systeem dreigde te imploderen.

Te elfder ure slaagden de overheid van de Verenigde Staten erin de schade te beperken dankzij een noodinfuus met een slordige 1.000 miljard dollar belastinggeld. In Europa injecteerde de overheid quasi 700 miljard euro in het bancair systeem. Een verstaatsing van de private gokschulden waarop kortelings een nieuwe speculatie zou losbarsten. De injectie van cash door de overheid gebeurde niet via de verkoop van goud of het drukken van geld maar eerder via het uitschrijven van staatsobligaties die geveild werden op de obligatiemarkten van de beurs.

Double dip

Eind 2009 leek de financiële storm overgewaaid. Er was wel sprake van een recessie maar deze ging van korte duur zijn. Zelfs de neoklassieke (neoliberale) economen hadden – ondanks het voor hen onoplosbaar enigma van de crisis –een typologie uitgewerkt: naast een recessie in V-vorm, met een kortstondige dipje wisten zij dat er ook de U en L-recessies bestaan, die uiteraard langer tot zéér lang kunnen duren. En helaas is er ook de double-dip.

De meeste landen hebben een tweede recessie achter de rug en duiken zelfs in een derde dip

Vijf jaar later moet vastgesteld worden dat het V-scenario van recessie een naïef fabeltje was. De meeste landen hebben een tweede recessie achter de rug en duiken zelfs in een derde dip. Zuid-Europese landen zinken dieper in een depressie mede dankzij de draconische besparingsplannen van de Trojka. Zo verminderde het BBP van Griekenland met 21% sinds 2008.

Sommige landen hebben het hoofd boven water gehouden maar ofwel gebeurde dit ten koste van de anderen (Duitsland exporteerde de crisis naar de andere landen van de eurozone) ofwel heeft men de economie drijvende gehouden dankzij massale injectie van geld in het circuit. Onder deze categorie vallen de VS die dankzij quantitative easing op vier jaar tijd bijna één derde van het BBP ex nihilo hebben gecreëerd. Met Shinzo Abe aan het roer in Japan zou ook ginds het monetair volume op drie jaar verdubbeld moeten worden. Of hoe de diepste en meest onverwachte crisis van de voorbije decennia tot een vlucht voorwaarts kan leiden.

Is dit omdat men helemaal bovenaan, in de commandokamer van de one percenters geen andere keuze heeft? Of is het omdat men zodanig veel macht heeft dat systeemfouten zonder enig gevolg herhaald kunnen worden?

Advertenties
One Comment leave one →

Trackbacks

  1. Crisis | Pearltrees

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: