Skip to content

De radicale linkerzijde en de Vlaamse beweging (1945-1995)

11 juli 2013

(deze tekst werd gepubliceerd in de Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, Lannoo, 1998)

De verhouding tussen de radicale linkerzijde en de Vlaamse beweging is een weinig bestudeerde kwestie. De leemte op dit vlak illustreert de ambivalente verhouding tussen beide politieke stromingen. Deze ambivalentie steunt op een problematische verhouding tussen het sociale vraagstuk en het nationaliteitenvraagstuk. De Belgische staat is het kader waarbinnen de tegenstellingen tussen arbeid en kapitaal zich uitdrukken en in de mate dat men deze tegenstellingen laat primeren zal men de Vlaamse beweging aanzien als verdelend. Indien men het onafhankelijkheidsstreven van het Vlaamse volk als uitgangspunt neemt, dan verschuiven zowel allianties als strategische opstelling van ‘klasse’ naar ‘natie’ en dan is men geneigd alles wat bij België hoort ‘en bloc’ te verwerpen, incluis sociale wetgeving en sociale zekerheid.

Enkele voorafgaande methodologische bemerkingen

Indien we de onderlinge meningsverschillen buiten beschouwing laten onderscheidt de radicale linkerzijde zich van (centrum) links door haar streven naar een socialistische maatschappelijke omwenteling. Een andere maatschappelijke ordening als politiek streefdoel hanteren impliceert een globale omwenteling die zich zowel het sociaaleconomische als politieke betreft, en dus, ook de kwestie van de instellingen en de staatsvorm stelt. Deze ietwat bredere definitie van de radicale of antikapitalistische linkerzijde betreft dus niet alleen de communistische, trotskistische en maoïstische stromingen maar ook de socialistische linkerzijde die, in tegenstelling tot de dominante sociaaldemocratische stroming actie bewust beperkt tot hervormingen die verzoenbaar zijn met het kapitalistische systeem[1]. Naast het analyseren en bespreken van de standpunten van de socialistische linkerzijde in Vlaanderen (‘Links’ en later ‘Nieuw Links’) zullen we ook de radicale linkerzijde van de Vlaamse beweging in onze analyse opnemen. Deze groeide uit de radicalisering van de Vlaamse beweging in de jaren ’60 en ’70 en, kan, ondanks een constante marginaliteit in deze Vlaamse beweging, niet over het hoofd gezien worden. Als Vlaams-nationalistische linkerzijde combineerde zij een anti-etatistische met een antikapitalistische opstelling. Ondanks haar atypisch karakter reken ik om die redenen ook deze stroming tot de linkerzijde in Vlaanderen.

We hebben deze bijdrage chronologisch gestructureerd waarbij sommige periodes een aanknopingspunt werden om een meer diachronisch reflectie te voeren over de marxistische analyses van het nationaliteitenvraagstuk in België. Dit aspect is niet onbelangrijk voor stromingen die hun actie steeds trachtten te situeren in een objectiverend betoog en analyse van maatschappelijke processen. Dit komt vandaag nog duidelijk tot uiting in de discussies binnen links over de verhouding met de Vlaamse beweging, mondialisering en Europese eenmaking.

Communistische vaderlandsliefde ondersteunt unitair België

In de naoorlogse periode hield de KP gedurende bijna 10 jaar een duidelijk patriottische koers aan. Deze onderscheidde zich van de veel scherpere zwenkingen in het interbellum. Mede onder impuls van de Komintern had de KPB de politieke lijn van ‘klasse tegen klasse’ uitgewerkt met een eis van ‘Vlaamse blokvorming’ en het ordewoord ‘Vlaamse arbeiders- en boerenregering’ terwijl men in de volksfrontperiode van 1935-1936 in de strijd tegen het fascisme in een eerste fase opteerde voor de verdediging van de Belgische democratie, en dan voor het Vlaamse. De Waalse communisten bleven een Belgische koers aanhouden maar in Vlaanderen wordt de “Roode Vaan” tussen  1937 en 1939 omgevormd tot “Het Vlaamsche Volk”. Tijdens de periode gaande van augustus 1939 (Duits-Sovjets niet-aanvalspact) en de invasie van de Sovjet-Unie in 1941 benaderden de Communistische Partijen in de door Duitsland en Italië bezette gebieden de wereldoorlog als een “interimperialistische oorlog”. In het tijdschrift ‘Uylenspiegel’ uitgegeven linkse activist Victor Brunclair uitgaf in opdracht van Jef Van Extergem werden denkel de “ploetokratische” Engelse en Franse mogendheden aangevallen. De KP nam tot nader orde in het wereldconflict een neutrale positie in “omdat de arbeidersklasse geen kamp moet kiezen voor het ene of andere imperialisme”.  Wanneer Nazi-Duitsland uiteindelijk de Sovjet-Unie binnenviel bonden de KP’s de strijd tegen de nazi-bezetting aan waarbij opnieuw gekozen werd voor de strategie van het volksfront maar ditmaal versterkt met de patriotische dimensie van nationale bevrijding. Tegenover het fascisme en de Duitse bezetting werd het vaderland België voorgesteld als de incarnatie van de vrijheid en de grondwet. De verzetsorganisatie waarin de KP een hegemonische rol speelde, het Onafhankelijkheidsfront (OF) ontwikkelde een alliantiepolitiek met veelal Franstalige liberalen en een kleine minderheid christendemocraten van progressieve signatuur. De akkoorden van Yalta verzegelden de opdeling van Europa in invloedssferen waarbij in West-Europa de communisten tot regeringen van nationale eenheid toetraden.

Toen Bert Van Hoorick terugkeerde uit de Duitse concentratiekampen in 1945 stelde hij : «Ik informeerde naar de Vlaamse Kommunistische Partij. Die is eenvoudigweg afgeschaft. Het geheel van de partij in België moet nu met vaste hand uit één en hetzelfde centraal orgaan geleid worden» [2]. Hoewel de ondertitel van ‘De Roode Vaan’ nog steeds ‘Orgaan van de Vlaamsche Kommunistische Partij’ benadrukte de KP duidelijk haar vaderlandsliefde via de actieve rol in de weerstand. In België namen de communisten deel aan de eerste overgangsregering in september-december 1944 om na het kabinet van H. Pierlot tussen 1945 en 1947 bijna in alle regeringen A. Van Acker en P.H. Spaak te zetelen. De coalities steunden ook op democratische burgerlijke krachten van liberale en christendemocratische strekking. De KP trachtte zich op te werpen als politieke vertegenwoordiger van de weerstand, wat gezien haar hegemonische rol in het Onafhankelijkheidsfront en de verzwakking van de sociaaldemocratie – ten gevolge van de debacle van 1940 en de oproep tot collaboratie van Hendrik De Man – weinig betwist werd. In een verklaring van 5 september 1944 stelde het centraal Comité van de KP “De Belgische patriotten zijn gedurende meer dan vier jaar in den Weerstand verenigd geweest ; zij zullen verenigd zijn in den eindstrijd ter verjaging van den bezetter. (…) De patriotten zullen eveneens na de bevrijding verenigd blijven om de volledige onafhankelijkheid van het land te verzekeren, om alle verraad uit te roeien en om een gezonde democratie in te stellen.”  (bundel RV, blz. 28). De KP trachtte zo veel mogelijk te steunen de weerstand om aldus een belangrijkere plaats te verwerven in het politiek bestel.  In dit kader wou men de unitaristisch en patriottisch gezinde bondgenoten niet ‘irriteren’ met het Vlaamse vraagstuk. Dit leidde soms tot bijzonder dubbelzinnige ordewoorden zoals de resolutie van 8ste congres in juni 1946 dat de titel droeg “Voor de eenheid en onafhankelijkheid van België. Autonomie voor Vlaanderen en Wallonië”.

Een evidente verklaring voor deze patriottische koers wordt in de partijgeschiedenis toegeschreven aan het diskrediet van de Vlaamse beweging die met collaboratie en fascisme wordt vereenzelvigd, niet helemaal ten onrechte trouwens. Maar dit diskrediet kon niet betekenen dat de strijd voor de ontvoogding van het Vlaamse volk als dusdanig voorbijgestreefd was. Naast de internationale en nationale politieke conjunctuur kunnen we een tweede element van verklaring terugvinden in de aard zelf van de volksfront strategie die de toenmalige bestaande institutionele configuratie van de Staat altijd respecteerde. Zo weigerde de Spaanse KP tijdens de burgeroorlog (1932-1937) de eis van onafhankelijkheid van Marokko te onderschrijven wat nochtans Franco de steun van een aanzienlijk deel van zijn militaire krachten onder druk gezet zou hebben[3].  Zelfs tijdens de koningskwestie oriënteerde de KP zich maar zeer laattijdig op een republikeins standpunt zonder de eis van federalisme in de politieke agitatie te betrekken[4].

Begin jaren 1950 onderging de KP een belangrijke politieke crisis. Ze ondervond een massaal ledenverlies van 80.000 leden op 4 à 5 jaar wat binnen de KP-leiding een hevige crisis veroorzaakte. Over de oorzaken van deze crisis zullen we binnen het bestek van dit artikel enkel een aantal hypothesen aanstippen. De ongelijke doorbraak van de communisten bij de bevrijding vertaalde zich ook in een ongelijke achteruitgang. Dit noopt tot een veelzijdige verklaring waarbij verschillende aspecten elkaar cumuleerden. Inzake Vlaanderen was de doorbraak net zoals de crisis minder fel. De KP had tijdens de verkiezingen van 1946 vooral stemmenwinst geboekt in het arrondissement van Aalst (15%) terwijl in Antwerpen men het tweede hoogste percentage behield (6%). In verschillende artikels en historische geschriften over die periode wijten sommige KP-kaders de relatief zwakke doorbraak toe aan het  “patriotardisme” van de partij. De stijgende invloed werd erdoor afgeremd, meer zelfs, “de partij verloor er één van haar wortels in de volkse bodem” aldus Jef Turf[5].  Terzelfdertijd isoleerde de KP zichzelf van een andere in Wallonië zeer belangrijke stroming van het verzet, namelijk de MSU van André Renard. Deze stroming had haar wortels in de Luikse socialistische arbeidersbeweging die reeds op het einde van de jaren 30 een Waals-federalistisch oriëntatie was beginnen ontwikkelen. De KP-strategie van regeringsdeelname en ondersteuning van het herstel van de burgerlijke rechtsstaat enerzijds en het Belgisch chauvinisme van de KP anderzijds stonden hier haaks op. Deze strategie impliceerde ook het intomen van de sociale spanningen wat in bijvoorbeeld Frankrijk meermaals tot botsingen met de eigen syndicale achterban leidde [6]. Hoewel de sociale spanningen in België minder sterk waren bleef de KP hierin eerder afzijdig terwijl anarcho-syndicalistische stromingen het voortouw namen. De MSU van André Renard had bovendien een niet onaanzienlijke bijdrage geleverd in het verzet, onder meer door frequente werkstakingen en sabotage-acties. Wanneer de restauratie voltooid was slaagde de sociaaldemocratie binnen het ABVV opnieuw de overhand te krijgen. Tijdens de koude oorlog die begin jaren ’50 losbrak legde de KP zich veel meer toe op een strijd tegen de “vasalisering” van België door het Amerikaans imperialisme.

De snelle achteruitgang van de KP was de katalysator van het congres van Vilvoorde in 1953. Dit congres vond drie jaar voor het 20ste congres van de KPSU plaats en wordt doorgaans vereenzelvigd met een vroegtijdige destalinisatie van de KPB. Zowel de voornamelijk Franstalige leiding met Jean Terfve werd opzij geschoven  en er werd afstand genomen van een aantal stellingen en praktijken. Naast het hernieuwd gebruik van de notie van “Vlaamse volk” verschijnt in de politieke woordenschat ook deze van het “Waalse volk”. Echter veranderde in de politieke actie zeer weinig tot de Leuvense studentenrevolte in 1966. “Met de snelle achteruitgang van de KP-invloed en met het verdwijnen van vele kameraden uit de vooroorlorgse periode geraakte de Vlaamse dimensie op de achtergrond. Banden met de Vlaamse beweging — die zich slechts zeer langzaam kon ontdoen van haar collaboratie-odium, waren er nog amper. Ook wanneer rond de jaren ’60 opnieuw een democratische wind begint te waaien doorheen de Vlaamse Beweging blijft de KP wantrouwig afzijdig, tot aan de strijd om de vervlaamsing van Leuven, waar ze wel de band wist te leggen met het groeiend Vlaams bewustzijn.(…)” [7]

De impact van 60-61

Enkele jaren na de staking van ‘60-’61 werd in het blad van de socialistische linkerzijde ‘Links’ een debat gevoerd over het nationaliteitenvraagstuk in België en de eisen van democratisch federalisme en antikapitalistische structuurhervormingen. De protagonisten van dit debat waren Mark De Kock (editorialist van Links), links flamingant Antoon Roosens en François Vercammen (toenmalig actief in de socialistische studenten en later één van de medeoprichters van de Revolutionaire Arbeiders Liga). Het debat in de kolommen van Links volgde een artikelenreeks van Ernest Mandel. Ondanks een titel als “België tussen kapitalisme en socialisme” laat vermoeden integreert Mandel het nationaliteitenvraagstuk in zijn analyse. Op een bijzonder didactische wijze zet hij de evolutie van België uiteen als een land met twee volkeren en één Franstalige burgerij waarin Wallonië en Vlaanderen op ongelijktijdige wijze geïndustrialiseerd werden. De sterke industrialisatie in de mijnbekkens van Wallonië en de Vlaamse grootsteden had een proletariaat gevormd dat zich politiek in de BWP organiseerde rond het algemeen stemrecht en de 8-uren dag.  De Belgische politieke configuratie veranderde hierdoor gevoelig, via het toekennen van het algemeen meervoudig stemrecht enerzijds en de keuze van de heersende klasse de katholieke partij als haar voornaamste politieke vertegenwoordiging te steunen anderzijds. Wanneer in de eerste helft van de 20ste eeuw een tweede industrialisatiegolf nieuwe segmenten van de bevolking in het salariaat opneemt wordt de socialistische arbeidersbeweging de pas afgesneden door katholieke arbeidersorganisaties. De originaliteit van Mandels analyse komt juist tot uiting wanneer hij het nationaliteitenvraagstuk weet te articuleren met het sociale vraagstuk of de klassenstrijd. De achterstand van het socialisme in Vlaanderen verbond Mandel met de socialistische afkerigheid ten aanzien van de Vlaamse ontvoogdingsstrijd, dit zowel om de alliantie met franskiljonse liberalen voor het algemeen stemrecht te vrijwaren als wegens de keuze sociale strijd voorrang te verlenen. Terwijl de BWP de succesrijke uitbouw van een massabasis trachtte te bestrijden met een symmetrische uitbreiding van sociale netwerken en coöperaties slaagde de katholieke arbeiders- en boerenorganisaties erin via culturele en taaleisen een organische verbinding te behouden met de ontluikende Vlaamse beweging, en dit ondanks het unitarisme van de hoge geestelijkheid en  de burgerij.

De taalwetten van 1932 hadden volgens Mandel de culturele onderdrukking grotendeels opgeheven. Maar opnieuw combineerde het nationaliteitenvraagstuk zich hier met het sociale vraagstuk. Vlaanderen ondervond een belangrijke economische achterstand en bleef tot in de jaren 1950 de hoogste werkloosheid van gans Europa kennen. Wanneer de naoorlogse periode van wederopbouw ten einde loopt beland de Waalse industrie in het slop geraakt komen de structurele gebreken van de Belgische economie aan het licht. De voornamelijk Brusselse Franstalige holdingburgerij met de Société Générale op kop droeg een belangrijke verantwoordelijkheid in de achterstand van de economie en dit gegeven gaf in eerste instantie in Wallonië aanleiding tot een bewustwording over de noodzakelijke ingreep van overheidswege in de sociaaleconomische realiteit.

De discussie in de kolommen van Links bouwde voort op een reeks evoluties die in de loop van de tweede helft van de jaren 1950 waren tot ontwikkeling gekomen. Vooreerst was er de actieve rol dat de tendensbladen ‘Links’ en ‘La Gauche’ zelf speelden in de PSB sinds het einde van de jaren 50. De BSP-PSB van Max Buset had gekozen om de katholieke invloed te bestrijden via een hervorming die tot de schoolkwestie leidde. De alliantie met de liberale partij leidde tot immobilisme op sociaal vlak terwijl België in 1958 het enige Europese land is met een recessie. In deze context wist de socialistische linkerzijde, politiek mede gestuwd door het ‘entrisme’ van het troskisten, aan invloed te winnen in de jongerenorganisaties en de syndicale linkerzijde. Ernest Mandel lag mee aan de basis van het rapport ‘Holdings en economische democratie’ van het ABVV-congres van 1956 waarin de strategie van structuurhervormingen werd uitgewerkt. De algemene werkstaking tegen de eenheidswet gedurende de winter van 60-61 bracht het land in een pre-revolutionaire situatie. Op gang getrokken door een ‘Operatie Waarheid’ van de openbare diensten ontwikkelde het protest tegen een soberheidsplan alras een dynamiek van algemene werkstaking. Na enkele weken was in Wallonië de staking algemeen in de openbare en privé-sector terwijl in Vlaanderen voornamelijk de socialistische van grootindustrie en openbare diensten in de actie betrokken waren. Naast de actieve boycot van het ACV van Gust Cool stond het nationale ABVV van Louis Major ook op de rem. In deze situatie van relatief machtsvacuüm nam André Renard het initiatief de staking een Waalse leiding te geven die de eisen van democratisch federalisme en antikapitalistische structuurhervormingen op massale schaal populariseerden. De staking van ‘60-61 monde in Wallonië met de oprichting van de MPW uit in een splitsing binnen de socialistische arbeidersbeweging. Ondanks het feit dat deze Waals regionalistische massabeweging later splitste in een ‘interklassistische’ stroming (RW) terwijl een andere terugkeerde naar de PSB, werd de politieke context van de eerste helft van de jaren ’60 getekend door een latente uitkristallisering van een institutionele crisis van de unitaire staat. Dat het unitaire België voortaan vanuit beide landsdelen werd betwist had een belangrijke impact op de Vlaamse Beweging.

Nadat Brussel het toneel was geweest van verschillende Vlaamse marsen met betrekking tot de taalgrens en de ‘olievlek’ organiseerde de Vlaamse Volksbeweging voor het eerst op 10 november 1963 te Antwerpen een nationale betoging ‘Voor federalisme, controle der holdings en economische democratie’. Niet toevallig juichte Ernest Mandel in La Gauche deze betoging toe als een ‘draai naar links van de Vlaamse federalisten’.

In navolging van Mandels artikel zette Marc De Kock, verantwoordelijke van de Liga van de Rechten van de Mens, in een driedelige reeks zijn standpunten uiteen over een strategische heroriëntatie van de socialistische arbeidersbeweging[8]. Teruggrijpend op de beginselverklaring stelde hij dat de Vlaamse Beweging zich niet mag beperken tot een taalflamingantisme maar de economische achterstand moest verbinden met een strijd tegen de overheersing van de economie door de hogere Franstalige holdingbourgeoisie. De situatie van toen was niet evident voor de linkse tendens in Vlaanderen : “We stonden enerzijds in Wallonië voor een eis tot federalisme, gevormd door mensen met wie we ons ideologisch nauw verbonden voelden (…) terwijl we in Vlaanderen af te rekenen hadden met een eis tot federalisme uitgaande van een groep die voor een groot deel aan conservatief-nationalistische motiveringen beantwoordde.” [9] De vlottende houding die daaruit volgde moest beëindigd worden aldus Marc De Kock. Hij pleitte daarom voor een samenwerking met Vlaamse progressisten, om samen in de schoot van het Vlaams Aktiekomitee te ijveren voor een verlinksing, tegen een Vlaams front dat zich beperkt tot linguïstische minimumeisen. Naast de contacten met de Wallingantische linkerzijde zou de articulatie van federalisme en antikapitalistische structuurhervormingen dit concreet mogelijk maken. De angst voor een minorisering in een autonoom Vlaanderen beantwoordde De Kock door te wijzen op de groeiende radicalisering van de Vlaamse jeugd, dit twee jaar voor de Leuvense kwestie, en van katholieke arbeidersorganisaties zoals de KWB. De objectieve voorwaarden voor een doorbraak — het woord viel toen voor het eerst — waren dus aanwezig. Enige weken later werden deze stellingen betwist door François Vercammen. Vooreerst stelde hij dat de strijd tegen de unitaire staatsvorm niet automatisch een antikapitalistische strijd was: “Men mag niet uit het hoofd zien dat een gedeelte van ons patronaat nog typisch regionalistisch is en een ander gedeelte in belangrijke mate geïncorporeerd is in het internationaal monopolisme. (…) Bovendien is er een stijgende inmenging in ons economisch en dus politiek leven van de buitenlandse kapitalisten. (…) Het is derhalve een fictie dat de strijd tegen de Belgische eenheidsstructuren per se een strijd is tegen de Belgische bourgeoisie.” Steunende op de voorbeelden van de Verenigde Staten, Zwitserland, Canada stelde Vercammen dat de bourgeoisie zeer goed zich federalistische kan opstellen. Het feit dat ze hardnekkig de unitaire staatsvorm in België verdedigt had volgens hem enerzijds te maken met de sociale basis die de grote bureaucratische staatsapparaten haar opleveren en anderzijds met de desintegrerende effect van de federalistische stroom, op het vlak van haar alliantie met de staatsbureaucratie en met de kleinburgerlijke krachten. Indien de druk te groot wordt zal de burgerij het federalisme trachten in te kapselen en te beperken tot culturele en politieke aspecten. Enkel het economische federalisme, wanneer et een antikapitalistische inhoud heeft, is onverzoenbaar met de belangen van de burgerij. Maar volgens François Vercammen is dit federalisme een onderdeel van de structuurhervormingen in antikapitalistische zin, nl. “collectivisatie van de sleutel-industrieën, arbeidersbeheer, afschaffen van de holdings, met andere woorden de sociale revolutie zelf”.  De “doorbraak” moet zich bijgevolg naar de arbeiders richten, op basis van een socialistisch programma. Het is duidelijk “dat voor een federalisme dat tegelijkertijd antikapitalistisch is, alleen de arbeidersklasse consequent kan strijden. (…) Tegen het machtige staatsapparaat van de burgerij kan slechts de arbeidersklasse in haar geheel, en niet de Waalse of een Vlaamse vleugel ervan,  het socialisme vestigen.”

De polemiek wordt echter bijzonder complex gezien Marc De Kock eveneens pleit voor een combinatie van federalisme met antikapitalistische structuurhervormingen. Dit laatste is bovendien geen onbelangrijke formulering gezien het feit dat men ook de term van structuurhervormingen ook gebruikte in de betekenis van een kapitalistische rationalisatie. Waar de polemiek juist om draait wordt duidelijk wanneer Vercammen zich uitspreekt “tegen een willekeurig bondgenootschap met mensen wier ideeën misschien op bepaalde punten de onze benaderen doch niet veel meer dan zichzelf vertegenwoordigen”. Erkennend dat“(…) federalisme misschien de Waalse arbeiders wel kan mobiliseren (omdat het op een zeer enge manier vergroeid zou zijn met de antikapitalistische structuurhervormingen), dan blijft het een feit dat het begrip dat bij de arbeidersklasse in Vlaanderen een traditionele smet draagt die men absoluut niet moet onderschatten. Het federalisme stoot er arbeiders af, of laat hen op zijn minst onverschillig. (…) Wat hen dagelijks en op ieder ogenblik interesseert zijn hun loonkwesties en werkvoorwaarden de mogelijkheid om deze te verzekeren en in laatste instantie om hun eigen materieel lot te bepalen, dwz vat te krijgen op de politieke en economische structuren.”  Onafgezien het feit dat dit laatste argument de toenmalige federalistische overtuiging van de Waalse arbeiders enigszins miskent wordt duidelijk dat Vercammen vooral vreesde dat federalisme in Vlaanderen het ontluikend klassenbewustzijn zou afremmen: “Op dit ogenblik betekent de vestiging van om het even welk federalisme geen verzwakking van het bestaande systeem en het accentueren van een federalistische propaganda in de arbeidersbeweging weegt helemaal niet op tegen de grote gevaren die er voor haar aan verbonden zijn. Is men soms vergeten dat het enige alternatief voor het klassenbewustzijn, dwz de enige mogelijkheid om de eenheid van de arbeiders te verbreken, steeds het nationalistisch bewustzijn is geweest en dat een federalistische politiek op die manier in een acute crisis een wapen in de handen van de bourgeoisie wordt ?” (ibid). Bijgevolg moet Links zich volgens Vercammen op vlak toeleggen op “een aantal eisen zoals zetelaanpassing, eigen taal in eigen streek, universiteit te Antwerpen”, dit zonder het federalisme te bekampen maar door uit te leggen dat deze eisen slechts in een socialistisch België zullen opgelost worden. Aldus hem betekent ‘arbeiderszelfbeheer in heel België’ een socialistische oplossing van de sociale taalbarrière.

In zijn interventie onderschrijft Antoon Roosens enerzijds de analyse dat de bourgeoisie zich internationaliseerde maar trok daaruit absoluut niet dezelfde conclusie. De toenmalige steun van een VEV aan de decentralisatie-beleid van de regering is juist het gevolg “van de bewustwording van de intelligentste kringen van de bourgeoisie die zeer goed begrijpen dat de decentralisatie het beste middel is om de unitaire structuur in stand te houden zonder enige autonomie te moeten verlenen aan Vlaanderen en Wallonië” [10]. De bourgeoisie verdedigt de unitaire structuur omdat haar politieke macht hiermee verbonden is. In België betekent daarom het federalisme een verlies aan politieke macht: “De dag dat Vlaanderen en Wallonië elk afzonderlijk kunnen beslissen in sociale en economische aangelegenheden zal de burgerij verplicht zal worden bepaalde fundamentele toegevingen doen zodra de arbeidersmassa gewonnen is voor een hervorming. In het unitaire kader worden de politieke beslissingen uiteindelijke gedicteerd door de bourgeoisie.”  Deze weet handig in te spelen op de verschillen, ze “kan via de door haar gecontroleerde en/of gecorrumpeerde politieke partijen steeds een wisselmeerderheid vinden om te beletten dat  de druk of de directe actie van de Vlaamse of Waalse massa zou uitmonden op een politieke overwinning van deze massa in het parlement. De strijd om de eenheidswet en de strijd om de jongste taalwetten zijn twee voorbeelden.”

Antoon Roosens stelt dat het democratisch federalisme een centraal ordewoord zou worden naast structuurhervormingen maar meent daarnaast dat de eenheid van Vlaamse en Waalse arbeiders onmogelijk is : “De Vlaamse en de Waalse bevolking komen praktisch nooit op éénzelfde moment tot éénzelfde inzicht in om het even welk probleem dat de grond van de maatschappelijke en politieke instellingen raakt. (…) De wet van de ongelijkmatige ontwikkeling schept steeds nieuwe divergenties tussen Vlaamse en Waalse gewesten.” Dit is natuurlijk in het debat een nieuw element dat zich duidelijk inschrijft tegen alle voorgaande stellingnames van Ernest Mandel, Mark De Kock en François Vercammen ten voordele van de eenheid van Vlaamse en Waalse arbeiders over taalgrens heen.[11]

Gedurende dezelfde periode van 1958-1965 bleef de KPB inzake aandacht voor de Vlaamse kwestie en gezamenlijke actie met Vlaamse progressisten zeer voorzichtig. Onder meer daarom was het voornamelijk de socialistische linkerzijde die een bijdrage leverde in de vernieuwende visie omtrent deze problematiek in linkse middens.  Het ontluiken van een Waalse beweging gedragen door een belangrijk segment van de arbeidersbeweging zette de Franstalige vleugel van de nog unitaire KPB echter druk. In navolging van de staking van 60-61 en de marsen op Brussel wordt de Waalse eis van federalisme en structuurhervormingen overgenomen. De KP hanteert vanaf dan ‘Peuple Wallon’ en ‘Vlaamse volk’ op symmetrische wijze. De discussies binnen de KPB werden toen voornamelijk gepolariseerd door de pro-Chinese dissidentie van Jacques Grippa met een deel van de Brusselse federatie achter zich.

Van ‘Leuven Vlaams’ naar ‘Alle Macht Aan de Arbeiders’ van België

De Leuvense kwestie vormt een belangrijk moment voor de Vlaamse beweging evenals voor de radicale linkerzijde. Na een eerste protestbeweging tegen het episcopaal voorschrift van 16 mei 1966 en een ‘temporiseringspolitiek’ in 1967 kwam in januari de Leuvense kwestie in een politieke stroomversnelling. Op 15 januari 1968 besliste de Leuvense Franstalige academische overheid op unilaterale wijze met de instemming van de Organiserende Macht, zijnde het episcopaat, de universiteit uit te breiden in Brussel, in Ottignies en te bestendigen in Leuven zelf. Zeer snel komt hiertegen een protestbeweging op gang vanwege de Nederlandstalige studenten en hun organisaties. Een belangrijk deel van het professorenkorps ondersteunt dit protest dat zeer snel de eis ‘walen buiten’ overstijgt en uitgroeit tot een revolte tegen het dictaat van Leuven-frans. De bewuste expansieve verfransingspolitiek wordt ervaren als een arrogante aanfluiting van de Vlaamse gevoeligheid van de studenten een kaakslag voor de democratie. Studentenleider Michiel Vandenbussche het stelde op een meeting als volgt : “Het optreden van de Franstaligen beoogt het volgende : eerst de Vlamingen zo hard mogelijk provoceren van zodat het tot uitspattingen en straatgeweld komt, daarna de gematigde Vlamingen hiertegen laten reageren en de opstandige minderheid laten veroordelen en in een derde laatste fase in dialoog treden met de gematigde Vlamingen om een compromis te sluiten dat een overheveling naar Brussel aanvaardt”[12]. Sinds 15 januari waren er inderdaad dagelijkse betogingen in Leuven, werd er gestaakt en werden Franstalige cursussen geboycot. Twee dagen na de eenparige beslissing van Leuven-Frans had men de protestbeweging trachten te onthoofden via de arrestatie van de studentenleiders waaronder Paul Goossens. Dagelijks sloeg de Rijkswacht in op de betogers, werden honderden studenten gearresteerd en gebrutaliseerd. Na een eerste protestweek kwamen ook elders in Vlaanderen universiteiten en scholen in actie. Een jeugdradicalisering in heel Vlaanderen was op gang gekomen tegen het dictaat van kerk en kapitaal met de democratie als motor. Enerzijds werd de beweging gestuwd door een eis van inspraak gezien de Leuvense universiteit voor 90% door staatssubsidies werd gefinancierd en anderzijds groeide de verzuchting van een democratisering van het universitair onderwijs. Beide impliceerden het bestrijden de triptiek Kerk, unitaire Belgische Staat en Kapitaal. Ook ontsproot uit dit bewustzijn een alternatief voor van universiteit ‘van en voor het volk’, tegen een fabriek die kaders voor de monopolistische industrie zou afleveren maar kinderen van arbeiders-en boerengezinnen de gelegenheid zou geven kritisch maatschappelijke inzicht en kennis te verwerven. Leuven-frans moest dus uit Leuven verdwijnen en overgeheveld worden ‘naar het hart van Wallonië’ in de nabijheid van waar het volk werkt en leeft en dus niet in Ottignies. De studentenleiders en structuren van het verzet hanteerden een steeds duidelijker democratisch federalistisch en antikapitalistisch vertoog. Gaandeweg werden tijdens de januari-revolte van 1968 ook contacten gelegd met de mijnwerkers van de Limburgse mijnen en de arbeiders van Herstal en Cockerill te Luik. Langs Franstalige kant reageerden een groep linkse intellectuele positief op de eis de universiteit over te hevelen naar ‘het hart van Wallonië’, banden met Waalse federalistische middens werden gelegd en Franstalige studenten van de ULB kwamen hun solidariteit uiten met de democratische eisen en de strijd tegen de repressie. Uiteindelijk verkoos de regering Vandenboeynants-Vanoudenhove op 7 februari na drie weken protest haar ontslag te geven.

Het is niet overdreven te stellen dat toen een nieuwe politieke generatie het licht zag. Deze generatie vertoont een sterke socio-culturele en ideologische homogeniteit. Het merendeel van de studentenleiders in Leuven was afkomstig uit de Katholieke zuil, kinderen waarvan de ouders actief waren in de boerenbond, KVHV, de KWB en de CVP. De meesten waren flamingant en revolteerden tegen de autoritaire kerkelijke structuren, het episcopaat, dat verstrengeld was met het Hof en de franskiljonse bourgeoisie. De protestbeweging van 1966 had een eerste politieke ervaring opgeleverd. Reeds toen stelde een platformdocument dat “De episcopale beslissing moet gezien worden in haar feitelijke samenhang. De feitelijke samenhang is dat krachten die openbaar of achterbaks voor het behoud van ene universiteit zijn uitgekomen, de gevestigde krachten zijn, uiteraard conservatief en wonderwel hand in hand gaan : het klerikalisme, het unitarisme en het kapitalisme. het is dan ook niet tegen bepaalde individualiteiten dat de studenten reageren maar tegen een systeem als dusdanig, een structuur waarvan het episcopaal dictaat een symbool is” [13]. De beweging was toen onvoldoende krachtig om de eis van overheveling hard te maken. Twee jaar later bleek de kerkelijke macht niets begrepen te hebben wat haar ditmaal op een veel diepgaander en breder protest deed botsen.

Hoe waren nu de contacten verlopen tussen deze democratische en flamingante jeugdradicalisering en de toenmalige radicale linkerzijde ?  Deze bestond toen uit drie componenten : Links, de KPB en de trotskistische stroming die zich in 1964 op het ‘onverenigbaarheidscongres’ van de PSB had laten uitsluiten. Het blad Links had gekozen om verder in sociaaldemocratie te blijven maar kon om sociologische redenen geen referentie zijn voor een jonge generatie afkomstig uit de “katholieke kerkprovincie” van Vlaanderen. Bovendien had zij haar jongste militanten verloren aan de trotskistische stroming die reeds toen een enigszins versnipperd karakter aan de dag legde. Enerzijds werd er een Socialistische Beweging Vlaanderen opgericht (1965) in een confederaal verbond met de Parti Wallon des Travailleurs (PWT) en de Union de la Gauche Socialiste (UGS) te Brussel.  Ondanks de standpunten van Vercammen enkele jaren voordien had ze een bruuske politieke draai naar het federalisme ondernomen. De editorialen in mei-juni ‘66 van de Socialistische Stem, het weekblad van de SBV laten een radicaal flamingant pro-federalistisch en antiklerikaal standpunt zien dat schril afsteekt tegenover de vroegere standpunten. Het trotskisme had eveneens weinig wortels in de “katholieke kerkprovincie” en wist niet goed hoe deze revolte precies te benaderen, bovendien onderhield ze met de ondersteuning van de solo-verkiezingsoperatie van de 95 jarige Camille Huysmans een weinig jeugdig profiel.  De KPB ondernam via haar gloednieuw in 1966 gesticht theoretisch Vlaams Marxistisch Tijdschrift verschillende pogingen een brug te slaan naar de revolte van de jeugd. Niet alleen hadden Jef Turf en Jan Debrouwere in 1966 en 1967 verscheidene artikels gepubliceerd over de relatie tussen de arbeidersbeweging en de Vlaamse kwestie, ook gaven zij de studentenleider Paul Goossens een tribune over wat er gebeurde. Ondanks het inzicht dat de arbeidersbeweging moeilijk uit de politieke impasse kon geraken indien zij zich niet wist te verenigen met de progressieve intellectuelen en de uit katholieke middens groeiende jeugdrevolte zou ook de KPB er niet in slagen een fusie met de opkomende politieke generatie tot stand te brengen. In juni 1968 trachtte Jef Turf nog de studentenorganisatie VVS te overtuigen haar gauchisme en anti-syndicalisme achterwege te laten maar toen hadden de gebeurtenissen van de ‘Praagse lente’ en mei ‘68 in Frankrijk zich reeds voltrokken[14]. In het ene geval hadden de Sovjet-tanks een democratische opstand verpletterd, in het andere geval ondersteunden de PCF en de CGT de Grenelle-akkoorden met De Gaulle en overal hebben zij de 10 miljoen stakende arbeiders aangezet tot werkhervatting.

De ‘groep van Leuven’ evolueerden bijgevolg steeds meer in maoïstische richting waarbij in een eerste fase het antikapitalistisch flamingantisme ook het ‘tiersmondisme’ een belangrijke vector bleven. Vele van studentenleiders van Leuven werden kaders van AMADA, later de Partij Van de Arbeid van België. In tegenstelling tot wat het unitarisme van de latere PVDA laat vermoeden waren de eerste groepen van ‘studentenmacht’, ‘arbeidersmacht’ en ‘mijnwerkersmacht’ absoluut niet anti-Vlaams gericht. Hoe en waarom evolueerden zij van radicaal linkse flaminganten tot marxistisch-leninistische ‘Belgikeinen’?

Het Egmont-pact  en de aankondiging van ‘het Sienjaal’.

In Vlaanderen hanteert de KP vanaf de tweede helft van de jaren ‘60 het begrip “Vlaamse gemeenschap”. Ze oriënteert zich veel nadrukkelijker als voordien op de de Vlaamse beweging en ondersteunt verschillende manifestaties en acties. Ook verdedigt ze de eis van federalisering en structuurhervormingen ook in Vlaanderen. Tussen 1965 en 1973 onderging de communistische beweging een tweede zware crisis. De gedeeltelijke ontbinding van het stalinisme onder invloed van Kroutchev had meningsverschillen verscherpt tussen een orthodoxe pro-moskou vleugel en een stroming die zich meer en meer wou distanciëren om een eigen ‘Europese weg naar het socialisme’ uit te vinden. Het militaire neerslaan van de Praagse lente in 1968 veroorzaakte niet alleen een geloofwaardigheidscrisis van de KPB maar een interne tweedracht. Het losgroeien van Moskou zou later ook toelaten dat een ander nationalisme terug op de voorgrond komt.

Tijdens de jaren ‘60 is de radicale linkerzijde onder invloed van omstandigheden verplicht geweest het nationaleitenvraagstuk opnieuw te integreren in haar politieke opstelling. Zowel de communistische als de trotskistische stroming hebben gedurende die periode open houding ontwikkeld jegens deze kwestie. De maoïstische stroming was er in feite middenin ontstaan…

Hoe was deze bewustwording over het strategisch karakter van het nationaliteitenvraagstuk tien jaar later geëvolueerd ? De gebeurtenissen tijdens de Egmontcrisis zijn een goede graadmeter. Na jaren stijgende politieke polarisatie mede versterkt door de electorale verschuivingen naar de VU, het FDF en de RW ondernam het establishment een eerste poging om die latent conflict te pacificeren. Het Egmont-Stuyvenberg-akkoord legde de basis van een asymmetrische federalisering van België. De loskoppeling van persoons- en cultuurgebonden met de ‘grondgebonden’ materies maakte de vorming van specifieke gewestraden en gemeenschapsraden mogelijk die geenszins een verticale integratie mogelijk maakten. Begin 1978 werd het initiatief genomen een ‘Komitee voor Democratisch Federalisme’ op te richten (KDF). Dit trachtte naast het Anti-Egmontcomité dat overheerst werd door rechts-flamingante krachten een progressieve frontvorming tot stand te brengen. Het uitgangspunt was zowel de “volstrekt ondemocratische wijze” waarop het akkoord tot stand kwam als “het feit dat de voorgestelde gewestvorming geenszins leidt naar een verdere democratisering van de gehele samenleving”. In de oproep stelde verwierp men o.m. het Egmontpact “omdat het geen democratisch federalisme met twee inhoudt en omdat het niet kan leiden tot warachtig politiek en economisch zelfbestuur van het volk. Zonder zich aan te sluiten bij een éénzijdig-taalgericht en eng-cultureel verzet beklemtonen de initiatiefnemers vooral hun wil een band te legen tussen de staatshervorming, de culturele ontvoogding en de sociale strijd. Als alternatief stelden de initiatiefnemers van het KDF een werkelijk democratische staatshervorming voor waarbij culturele en sociale ontvoogding samen met ‘zelfbeheer’ verwezenlijkt zou worden. Ze kantten evenzeer zich tegen de machtshonger van Vlaamse elites die tot elk compromis bereid waren met de oudere economische en financiële elites. Rond de kwestie Brussel stelde men “De eigen problemen van deze grote agglomeratie waarin verschillende nationaliteiten samenwonen kan slechts een duurzame en sociaal verantwoorde oplossing vinden indien men uitgaat van de fundamentele erkenning van het bestaan van twee volkeren in België en van de verplichtingen van de hoofdstad hiertegenover en indien men gelijke sociale, politieke en culturele rechten toekent aan alle bevolkingsgroepen in deze agglomeratie. Het toekennen van privilegies aan Franstalige villabewoners in Vlaanderen staat in schrille tegenstelling tot het verwaarlozen van de buitenlandse arbeiders in de hoofdstad.”

Het KDF werd gedragen door een breed links front met militanten en kopstukken van de RAL (Eric Corijn, Alain Meynen, François Vercammen), de KP (Jef Turf, Jan Debrouwere), de Brusselse SP, linkse flaminganten (Antoon Roosens, Roger Bourgeois, Jan Olsen), progressieve christenen van het ACV en de KWB (o.a. Jef Ulburghs, Guy Tissen, Toon Mondelaers, Reej Masschelein, Omer Mommaerts), kunstenaars en intellectuelen (Daniël Robberechts, Herman Deconinck, Jaap Kruithof). Het maoïstische AMADA nam niet deel aan het politiek front en dit vertaalde niet alleen een sectarisme maar ook een veranderende opstelling richting unitarisme. Vanuit geografisch oogpunt had het KDF haar zwaartepunt in het Brusselse en de rand terwijl toch een breed vertakt netwerk in Leuven, Antwerpen, Oost- en West-Vlaanderen het teken was dat er zich een kleine maar reële bundeling van krachten had voorgedaan. Vooral binnen de christelijke arbeidersbeweging had zich een radicalisering afgetekend waarbij het onvoltooid en het ondemocratisch pact dat met de steun van de top van het ACW tot stand kwam de aanleiding was voor een duidelijk ideologische afbakening ten voordele van een culturele ontvoogding die maar in het kader van de sociale strijd tot een goed einde kan gebracht worden, namelijk een democratisch arbeiderszelfbestuur.  Ondanks een brede weerklank zou het KDF een zeer kort leven beschoren zijn. Tijdens een protestactie tegen het Egmontpact te Dilbeek van 23 oktober 1977 werden de KDF deelnemers door de VMO en Voorpost manu militari geweerd. Het jonge Vlaams Blok stelde haar hegemonie desnoods met fysiek geweld veilig. Bijgevolg verdween uit het KDF vrij snel de initiële dynamiek[15] en kwam deze kwestie opnieuw op de achtergrond.

In 1984 werden opnieuw Vlaamse en Franstalige vleugels binnen de KP opgericht met een belangrijke autonomie. Dit werd in Vlaanderen onder impuls van de eurocommunistische stroming bereikt ; ze ondernam een aantal acties zoals een bloemenhulde in mei 1985 aan de pax-poort in Diksmuide maar werden verjaagd door  Voorpost.  Zo nam in de jaren ‘80 de Franstalige KP een Wallingantische bocht en riep zij op om voor José Happart te stemmen in het kader van een “anti-monopolistisch front”. Vanaf deze periode wordt in de KP-literatuur de notie ‘Vlaamse gemeenschap’ gehanteerd als entiteit waarvoor een autonomie dient nagestreefd te worden. De klassieke eisen van federalisering van België worden aangevuld met de eis van “controle vanwege de Vlaamse gemeenschap op de bestedingen van openbare gelden teneinde een doeltreffende strijd te voeren tegen de werkloosheid en de verarming ; een Vlaams milieubeleid ; het opruimen, in wederzijds dialoog, van alle sociale en menselijke gevolgen van de repressie en van de naweeën van de oorlog ; de actieve verdediging en ontwikkeling van onze eigen Vlaamse cultuur in haar Europese ruimte, open voor andere culturen maar afwijzend tegen elk vreemd cultureel imperialisme”. Dit politiek actieprogramma van de Vlaamse KP trachtte via het aanknopen met het links verleden van het activisme en Jef Van Extergem opnieuw banden te smeden met de Vlaamse beweging. Deze had de ontwikkeling van een linkse stroming gekend waarmee de KP sinds enige tijd reeds een samenwerking met onderhield. Vooraleer deze stroming kort te schetsen dient gezegd dat begin jaren ‘80 de andere componenten van radicaal links eerder hun afstand namen.

De Revolutionaire Arbeiders Liga veranderde van naam, ondernam een draai naar de fabrieksarbeiders en een politieke herprofilering. Herdoopt tot Socialistische Arbeiderspartij hoopte zij de politieke uitdrukking te worden van de radicalisering van de syndicale vleugel van de sociaaldemocratische achterban. Zonder de vroegere analyses van het nationaliteitenvraagstuk gewijzigd te hebben werd dit aspect niet meer in de politieke agitatie opgenomen. De sociale mobilisaties van 1983-1986 leidden uiteindelijk via een communautair bliksemafleider tot een wissel van Rooms-Blauwe naar Rooms-Rode coalitie wat de spanningen tussen de CVP en de christelijke arbeidersorganisaties pacificeerde terwijl de regeringsdeelname van de SP/PS geen verschuiving naar links maar wel naar uiterst-rechts tot gevolg had. Ondanks een verschillende interpretatie van het nationaliteitenvraagstuk in België stelde de SAP zich net zoals de PVDA (ex-Amada) op : georganiseerd op Belgisch niveau werd de eenheid van alle werkers benadrukt als internationalistisch antwoord op het toenemend racisme en de communautaire dynamiek. Einde jaren ‘80 bracht o.a. het Regenboog-experiment, ontstaan toen Jef Ulburghs van de Europese SP-lijsten werd geweerd, de SAP terug in contact met de KP, linkse christenen en radicale groenen. Het mislukken van deze experimenten van herschikking links van SP en Agalev leidde uiteindelijk SAP en KP in een marginale positie die ze wegens hun numerieke en organisatorische zwaktes niet te boven hebben weten te komen.

Het project Coppieters-De Batselier mondde in 1996 uit in de publicatie van een collectief boek ‘Het Sienjaal’ genaamd dat een politieke vernieuwing in Vlaanderen betrachtte. De aanzet van het project was, de politieke crisis na ‘zwarte zondag’ indachtig, een ‘Beieren aan de Noordzee’ te vermijden. De recentste staatshervorming had Vlaanderen een autonomie toegekend waarbij de vorming van nieuwe Vlaams parlement en een executieve gezien de politieke krachtsverhoudingen een duurzame machtswissel mogelijk maakte ter centrumrechterzijde. Als antwoord hierop streefde het ‘Sienjaal’ een samenwerking van SP, ABVV, Agalev, ACW en Volksunie na. Met het uitblijven van de electorale verruiming van de VLD en de consolidatie van de SP tijdens de verkiezingen in 1995 verdween de objectieve bestaansreden van het project. De redactieraad van het ‘Sienjaal’ bestond o.a. uit een reeks intellectuelen met eurocommunistisch verleden (Koen Raes, Ludo Abicht) met eenzelfde opstelling als Maurits Coppieters inzake de Vlaamse kwestie. De weerslag hiervan is terug te vinden in een federalistische opstelling binnen een gedemocratiseerd België. Deze gematigde opstelling werd bekritiseerd vanuit een linksflamingante hoek. De protagonisten van deze kritiek zijn geen politieke nieuwkomers : Antoon Roosens, Jef Turf, Geert Orbien, Joost Van Dommele, … Kortom, de bundeling van de individuen van vroegere werkgroep ‘Arbeid’ en van de ‘Witte Kaproenen’. Hun kritiek was gericht op het gematigd op het sociaaleconomisch programma van het Sienjaal dat te ‘reformistisch’ was. Anderzijds kan ook gezegd worden dat hun opvatting van de natie en de volksgemeenschap niet van aard was om de hegemonie van rechts te betwisten. Vermits de gedeelde geschiedenis (de ervaring van een nationale onderdrukking) het sleutelgegeven van de ‘Natie’ en het volk repliceert zij een benadering die exclusief is in plaats van inclusief. En dus slaagt zij er niet in het ethnoculturalisme van de Vlaamse beweging te betwisten en bleef de linksflamingantische stroming marginaal ten opzichte rechtse stromingen van de Vlaamse beweging.


[1]. Tegelijkertijd heeft vooral de traditionele radikale linkerzijde verschillende strategische oriëntaties aangehouden in de strijd voor het socialisme. Zo legt de KP(B) meer de nadruk op democratische  sociale en parlementaire actie terwijl anderen (SAP/ex-RAL, PVDA/ex-Amada) de hefbomen van verandering uitsluitend situeren in de buitenparlementaire actie en de meer bepaald in een algemene werkstaking. Op hun beurt bekampen de trotskystische en maoïstische stromingen elkaar zeer sterk op ideologisch vlak, onder meer rond de kwestie van meerpartijen- of eenpartijensysteem, de rol van de revolutionaire voorhoede-organisatie en de zelforganisatie in de strijd van onderdrukten en uitgebuitenen. In haar relatie tot de Vlaamse beweging mogen we ons de vraag stellen of deze verschillende ideologische, strategische en tactische opties in feite wel een rol speelden. Een aanduiding hierin is het feit dat tussen deze stromingen de onderlinge polemieken rond deze kwestie eerder zeldzaam zijn. Ze vormt met andere woorden geen centrale functie in hun programmatorisch arsenaal. Dit gegeven staat natuurlijk in verband met de ambivalente verhouding waarover ik het daarjuist had.

[2]. B. Van Hoorick, In tegenstroom, uitg. FMasereelfonds en geciteerd in JTurf, kanttekeningen bij een bewogen geschiedenis, p.5

[3].Toch onwikkelde de KP institutionele ordewoorden van “Vlaamse Blokvorming” en het perspectief van “Vlaamse arbeiders- en boerenregering” in het perspectief.

[4]. De trotskystische oppositie die zich in de jaren ‘30 had weten te handhaven, onder meer via entrisme en in de mijnbekkens van de Borinage, kwam zeer verzwakt uit de oorlog. Ook in haar politieke agitatie werd het nationaliteitenvraagstuk overschaduwd door een …

[5]. J. Turf, Kanttekeningen bij een bewogen geschiedenis, p.5

[6]. De stakingen in het CGT-bastion Renault van april 1947 kondigde een protestgolf aan die pas losbrak toen de PCF uit de rereging was gestapt. Zie G. Madjarian, Conflits, pouvoirs et société à la Libération, F. Maspéro 10/18, 1979, pp.359-374.

[7]. J. Turf, Rode klaprozen in Vlaamse grond, in Rode vaan, n°28, jg.64- 11/07/85

[8]. M. De Kock, Links en de Vlaamse beweging, jg.6, nrs. 24-25-26; 2-9-16/05/64.

[9]. M. De Kock, Links en de Vlaamse beweging, n°25, 9/05/64, jg.6,p.8.

[10]. A. Roosens, Federalisme en arbeidersbeweging, in Links, jg.6, n°33, 4/07/64, p.6.

[11]. De eenheid is nooit gegeven, ook niet binnen de arbeidersklasse. De arbeidsmarkt structureert de concurrentie tussen arbeidkrachten. De wording van een klasse is een politiek proces, ze is het product van de klassenstrijd die gestalte heeft gegeven aan de arbeidersbeweging. Sommige categoriën zoals seizoensarbeiders, laaggeschoolden, vrouwen of migranten maken ook niet spontaan deel uit van de arbeidersklasse.

[12].M.Vandenbussche, in Dagboek van de januari-revolte te Leuven, DeGalg, 1968, p.96.

[13]. Geciteerd door Paul Goossens, ‘De leuvense revolte, een katalysator voor de demokratische praxis in Vlaanderen en Wallonië, in VMT, jg.1, september 1966, p.13.

[14]. J. Turf, Arbeiders en intellectuelen tegenover het neo-kapitalisme. in VMT, jg.3, n°2, juni 1968, pp.77-84.

[15]. gesprek met Alain Meynen ; papieren A. Meynen, maart 1978.

Advertenties
3 reacties leave one →
  1. 7 augustus 2014 21:11

    Mooi stuk, maar zit nog maar bij Leuven ’86. Ga het zeker verder lezen.

  2. 7 augustus 2014 21:54

    Typfoutje:
    Moet zijn zit nog maar bij Leuven 68. Ga zeker verder lezen. Ik denk er nu ineens ook aan dat een aantal van de figuren rond Mandel elkaar ook ontmoetten op het eiland Hvar in ex-Joegoslavië. Ik herinner het mij van toen en heb er ook iets over gevonden in een paper. Als het je interesseert, stuur ik de link.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: