Skip to content

De ‘arbeidsmarktperformantie’ van Duitsland en Frankrijk gewikt en gewogen

27 juni 2013

Een tiental dagen geleden werd ik gecontacteerd door Canvas naar aanleiding van een uitzending over werkloosheid in Europa. Uitgangspunt van de uitzending was de ‘vaststelling’ dat Duitsland het ‘uitstekend doet’ en ‘Frankrijk helemaal niet’ wegens een ‘veel te strakke wetgeving en hoge loonkost’. Ik heb aan de journaliste uitgelegd dat er in Frankrijk ook heel veel flexibiliteit bestaat; dat de interimkantoren de grootste werkgevers zijn en dat er volgens een restrictieve definitie minstens 2 miljoen werkende armen ronddolen op de arbeidsmarkt. Ze vond mijn verhaal correct maar haar opdracht bestond erin iemand te vinden die kon aantonen dat Frankrijk met haar ‘strakke socialistische arbeidsmarkt’ het typevoorbeeld is van hoe het niet moet… Het toeval wil dat deze week Karel Van Eetvelt in een interview de vergelijking tussen Frankrijk en Duitsland opnieuw maakte waarbij sp.a-er John Crombez (terecht) het Duits model afwees als loonslavernij.

Een binaire interpretatie van de realiteit is altijd succesvol. Je kan een eenvoudig verhaal brengen waarbij het positieve ‘model’ tegenover het ‘anti-model’ wordt geplaatst. Rechts verdedigt het Duits model en (centrum)links maakt er een anti-model van. De rechterzijde kan dan nog steeds antwoorden dat ‘loonslavernij’ nu eenmaal een prijs is die betaald moet worden voor een successtory van werkgelegenheid en competitiviteit… De keuze wordt er dan één tussen a). sterke economie met sociale achteruitgang of b). welzijn maar zonder economisch draagvlak. Elkeen die voor dergelijke ‘keuze’ komt te staan zal geneigd zijn te opteren voor ‘economische performantie met een hoge sociale prijs’. Een grondige analyse van beide landen leert ons echter dat we andere paden moeten en kunnen bewandelen. Zowel Duitsland als Frankrijk varen dezelfde koers waarbij de sociale cohesie wordt geofferd waarna het eigen economisch draagvlak wordt ondermijnd… We zetten de feiten op een rijtje, wikken en wegen.

 1). ‘Pak de werklozen hun uitkering af en ze zullen terug gaan werken’ is het motto van de rechterzijde. Duitsland gaf het voorbeeld. Inderdaad, onder impuls van sociaaldemocratisch minister van arbeid Peter Hartz heeft Duitsland de werkloosheidsverzekering sterk afgebouwd. Toegang tot het verzekeringsstelsel vergt vandaag één jaar bijdragenbetaling terwijl de maximale looptijd van uitkeringen de 12 maanden niet overschrijden. In Frankrijk is de toegangsdrempel veel lager (3 maanden werk), de verzekeringsperiode gaat tot 24 maanden en de uitkeringen zijn niet geplafonneerd. Globaal genomen wordt in Frankrijk het principe van ‘één gewerkte dag = één bezoldigde dag’ gehuldigd terwijl Duitsland werkt met een verhouding ‘twee maand gewerkt = één maand verzekerd’. Maar in beide landen worden werklozen na een bepaalde tijdsduur opgenomen in een systeem van sociale bijstand met forfaitaire uitkeringen (zoals het leefloon in België). In Frankrijk bedraagt dit 454 euro voor een alleenstaande en in Duistland 360 euro.

Longitudinale analyse toont aan dat de afbouw van de werkloosheidsverzekering in Duitsland een toename van de armoede heeft veroorzaakt. In 2010 leefde 51% van de werklozen in armoede tegenover 31% in 2000. Ook de globale armoede is gestegen van 11% in 2005 tot 16% in 2011. De GINI-coëfficiënt steeg in minder dan een decennium van 0,25 naar 0,30[1].  Maar daarom is Frankrijk nog niet een socialistisch paradijs zoals Karel Van Eetvelt het graag herhaalt. In beide landen moet vastgesteld worden dat ongeveer 1 op 5 arm en/of uitgesloten is (resp. 20,7 en 20,2% in Frankrijk). Het aandeel van de bevolking dat strenge materiële deprivatie ondergaat is in Frankrijk hoger (5,8%) dan in Duitsland (4,5%)[2]. De armoedegraad voor sociale en fiscale transferten is eveneens gelijklopend (25,2 en 24,2%).

2). Volgens het neoliberale pensée unique wordt de Duitse jobfabriek aangedreven door de ontwikkeling van een lage loon sector. En inderdaad, er zijn in Duitsland 5 miljoen werkende armen tegenover iets meer dan 2,5 miljoen in Frankrijk. Wanneer men weet dat Duitsland een werkloosheidgraad heeft van 5% en Frankrijk de 10% benadert, dan is de ‘oplossing’ voor de hand liggend: dankzij lowcost arbeid schep je tewerkstelling en dankzij de jacht op de werklozen worden ze gedwongen deze low cost jobs te aanvaarden. Deze redenering klopt maar ten dele.

Zelfs indien werklozen inderdaad worden aangezet slecht betaalde jobs te aanvaarden, dan betekent dit ENKEL dat de werklozen hun rol van arbeidsreserveleger opnemen en aanzetten tot inheemse sociale dumping. Maar het dumping-mechanisme betekent daarom nog niet dat er een causaal verband bestaat tussen lage lonen enerzijds en jobcreatie anderzijds. In Duitsland steeg de werkgelegenheid sinds 2008 met 6%. Maar deze ‘performantie’ verbergt de destructie van 1,2 miljoen voltijdse banen en de creatie van 3,1 miljoen deeltijdse betrekkingen! In Frankrijk stellen we dezelfde evolutie vast vermits sinds de crisis van 2008 ongeveer 8 op 10 jobcreaties tijdelijke betrekkingen betreffen (interim en contracten van beperkte duur) en 5 op 10 deeltijdse banen. Voltijdse betrekkingen met contracten van onbeperkte duur betreffen voornamelijk vacatures die vrijgekomen zijn wegens pensionering. In beide landen ontwikkelt flexibiliteit zich bijgevolg op basis van toenemende bestaansonzekerheid.

 3). Demografische ontwikkelingen worden over het hoofd gezien. Al te dikwijls vergeet men ‘en passant’ dat de lage werkloosheidgraad in Duitsland in belangrijke mate demografische oorzaken kent. Indien wij een vergrijzing kennen dan kan van Duitsland gezegd worden dat het zich fossiliseert. Sinds 1972 is het sterftecijfer er hoger dan het geboortecijfer. Sinds 2003 krimpt de bevolking in absolute getallen en zonder immigratie zal Duitsland in 2040 minder inwoners tellen dan Frankrijk. Dit heeft natuurlijk een belangrijke impact op de arbeidsmarkt. Wanneer babyboomers in grote getallen de arbeidsmarkt verlaten stijgt de vervangingsvraag merkbaar zonder dat er daarom als zodanig nieuwe arbeidsplaatsen worden gecreëerd.

4). De tegenstelling Duitsland-Frankrijk wordt vandaag gebruikt om het loonmatigingsbeleid te bepleiten. Toch is de bruto loonkost per gewerkt uur in de twee landen gelijklopend voor wat de industrie betreft: 34 € versus 35€. De unitaire loonkosten (los van productiviteit) stagneerden de laatste 7 jaar zowel in Frankrijk als Duitsland. Wel is er in Duitsland een grotere kloof tussen de lonen in de industrie en deze in de distributie, transport of toerisme: 177 tegenover 100 in Duitsland tegenover 132 / 100 in Frankrijk. De verklaring voor de belangrijke kloof tussen industrie en diensten situeert zich op het niveau van de loonvorming en het sociaal overleg. In Frankrijk bestaat er een interprofessioneel minimumloon maar zijn er geen sectorale loononderhandelingen. het gevolg is dat enkel in bedrijven met enige syndicale activiteit collectieve loonsverhogingen doorgevoerd worden. Rekening houdende met een syndicalisatie-graad van minder dan 10% is het niet moeilijk de intensiteit van de loonstrijd in te schatten. Duitsland heeft geen minimumloon maar behield tot dusver wel een sterk sectoraal overleg in de industrie. De tweejaarlijkse tarifvertragen zorgen in grote bedrijven voor beperkte maar reële loonstijgingen. Sommige (kleine) ondernemingen slagen er wel in zich te onttrekken aan de verplichting loonsverhogingen toe te passen dankzij de tarifautonomie waarbij cao’s enkel van toepassing zijn op de betrokken partijen. Daarom verlaten patroons de patronale federaties en vermijden ze zodoende toepassing van de cao’s.

Hoe verklaren we dan de sterkte van de Duitse industrie? Eenvoudigweg dankzij de hoge productiviteit en de dominante positie van de industriële ondernemingen en merken. Men bouwt er voor de gehele wereldmarkt installaties en machinerieën. Wanneer het volume van activiteit daalt treedt het systeem van kurzarbeit in werking, een systeem van economische of tijdelijke werkloosheid. daarnaast worden arbeidsduur aangepast en de industrie behoudt de know how van haar personeel in huis. In Frankrijk fungeren de tijdelijke contracten als buffergroep, in tijden van crisis worden niet verlengd en de werkloosheid stijgt uiteraard evenredig. In beide landen functioneert de arbeidsmarkt anders; zoveel is duidelijk. In Frankrijk is er zowel in de dienstensector als in de industrie een sterke dualisering met insiders die een redelijk gestabiliseerd bestaan ervaren en een belangrijke segment van (quasi-)outsiders die net boven armoede en bestaansonzekerheid (over)leven. In Duitsland verloopt de dualisering meer volgens de scheidingslijn industrie/diensten. Maar in beide landen groeit het segment van precairen en werkende armen.

4). Ondanks politieke verschillen tussen Merkel en Hollande waait de wind in dezelfde richting. Indien verschillen tussen beide landen worden gebruikt om politieke tegenstellingen gestalte te geven en in België de keuze ‘voor het Duits model’ af te dwingen, dan moet gezegd worden dat ook op dit vlak Frankrijk een gelijkaardige koers vaart. Zo werd er in het voorjaar door een aantal vakbonden (CFDT-UNSA-CGC) een sterk deregulerend interprofessioneel akkoord ondertekend zonder de instemming van de CGT en FO. Hoewel dit akkoord geen meerderheidsdraagvlak geniet onder de werknemers werd het daarna als kaderwet gestemd met de steun van de PS en de Groenen. Deze kaderwet hervormt de sociale wetgeving op grondige wijze. Zo wordt de hiërarchie der normen onderuit gehaald waardoor bedrijfs-cao’s ‘lager’ kunnen gaan dan sectorale of interprofessionele bepalingen. Individuele werkers zullen voortaan het recht verliezen een loonvermindering en/of arbeidstijdverlenging te weigeren daar waar deze bepalingen deel uit maken van het arbeidscontract. Ze verliezen ook hun individueel recht ‘beroepsmobiliteit’ tussen vestigingen van dezelfde onderneming te weigeren. Het arbeidscontract kan bijgevolg op eenzijdige wijze gewijzigd worden. Bovendien wordt de opheffing van het arbeidscontract met ‘wederzijdse toestemming’ eveneens mogelijk. In een land waar de sociale wetgeving meer bescherming biedt dan een sterk verdeelde en weinig talrijke vakbeweging kan dit tellen.

Kritisch econometrisch onderzoek wijst aan dat er geen correlatie en evenmin een causaal verband kan gelegd worden tussen enerzijds een hoge werkgelegenheidsgraad en dito volume van arbeidsplaatsen en anderzijds een lage conventionele en wettelijke beschermingsindex (Schmitt J., 2011). Op niveau van de ondernemingen staat de tewerkstelling niet los van de bedrijfsstrategie, de marktpositie, de aard van de productie (afgewerkt of half-afgewerkt), de technologische uitrustingsgraad en de scholingsgraad van de arbeidskrachten. Op macroschaal blijft werkgelegenheid een gegeven dat zowel door de conjunctuur (groei of niet), de consumptieve vraag (de koopkracht) als door de globale productiviteit wordt bepaald. In beide gevallen is de loonkost is van secundair belang en staat deze niet los van de interactie tussen de andere parameters.

Indien VOKA en UNIZO een hyper flexibele low cost arbeid  promoten mag geweten worden dat dergelijke aanpak nooit meer dan een tijdelijke competitiviteitsbonus geeft. Anders gezegd, de winstvoet wordt enkel tijdelijk gered. Zodra concurrenten (landen of ondernemingen) hetzelfde doen moet een stap verder gezet worden. Dit is een ‘race to the bottom’… Uiteindelijk zal de hele dynamiek van sociale dumping ervoor zorgen dat geaggregeerde vraag stagneert, de economische conjunctuur slabakt en de technologische innovatie stilvalt. De huidige crisis toont aan dat het neoliberaal ontwikkelingsmodel in de eerste plaats averechts werkt. Ook inzake ‘arbeidsmarktperformantie’.

Bronnen

Bouquin S. (2012), “Les réformes du marché du travail en temps de crise : vers l’accroissement de l’insécurité socio-professionnelle”, In Les Mondes du Travail n°12, Paris-Evry, pp.62-76, nov. 2012.

Schmitt J. (2011), “Labor Market Policy in the Great Recession. Some Lessons from Denmark and Germany”, in Working Paper, Center for Economic and Policy Research, Washington DC.

Schmid G. (2010), “Non standard Employment and Labour Force Participation: A comparative View of the Recent Development in Europe”,  IZA DP n° 5087

Sievert S., Klinholz R. (2010), Ungleiche Nachbarn”, Discussion Paper Nr. 2, september 2009, www.berlin-institut.org

Batard P-E. e.a. (2012), Comparaison France-Allemagne des systèmes de protection sociale, Documents de Travail de la DG Trésor, Numéro 2012/02 – Août 2012,


[1] Gini coëfficiënt is een maatstaf om sociale ongelijkheid te meten: bij 0 is er totale gelijkheid en bij 1 totale ongelijkheid (de ene heeft alles de andere niets). De Europese landen met een sterk gelijkheidspeil dankzij sociale bescherming situeerden zich rond de 0,2; vandaag is Duitsland afgedreven van het ‘Rijnland-model’.

[2] gebaseerd op de capaciteit facturen te betalen, zich degelijk te verwarmen, twee weken per jaar op verlof te vertrekken, dagelijks vlees of vis te eten e.d.)

Advertenties
4 reacties leave one →
  1. Danny permalink
    28 juni 2013 05:59

    Reeds lang dat we dit weten… Helaas beseffen politici blijkbaar niet waar men mee bezig is, tenzij natuurlijk….

Trackbacks

  1. De ‘arbeidsmarktperformantie’ van D...
  2. Politics & Economics | Pearltrees
  3. Austerity or growth | Pearltrees

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: